Lev Tolstoj

 


  •    

     

    De dood van Iwan Iljitsj

     

     

     

    Iedereen weet dat Iwan Iljitsj dood gaat, alleen Iwan Iljitsj weet het zelf niet. Als hij dood gaat ontkent iedereen het, alleen Iwan Iljitsj komt dan tot besef en maakt de balans op…

    Zijn vrouw negeert hem, evenals zijn dochter, die op elk moment een aanzoek verwacht. Dan op zijn doodsbed, komt zijn achtjarige zoon de kamer binnen, het gymnasiastje, voor wie Iwan Iljitsj heel zijn leven medelijden gevoeld had.   Dat was aan het eind van de derde dag, een uur voor zijn dood. Juist op dat ogenblik glipte de gymnasiast stil de kamer binnen en ging naar het bed van zijn vader toe. De stervende schreeuwde in wanhoop en sloeg met zijn armen. Zijn ene hand raakte het hoofd van de jongen. De jongen greep die, drukte er zijn lippen open begon te huilen.

       Op dat ogenblik stortte Iwan Iljitsj naar beneden, hij zag het licht en het werd hem duidelijk, dat zijn leven niet geweest was zoals het had moeten zijn, maar dat hij het nog goed kon maken .Hij vroeg zich af:” Wat voor ‹dat› ?” en hij werd stil en luisterde.
    Toen voelde hij dat zijn hand door iemand gekust werd. Hij deed zijn ogen open en keek naar zijn zoon. Hij kreeg medelijden met hem.  Zijn vrouw kwam de kamer binnen. Hij keek naar haar. Zij zag hem aan met een wanhopige uitdrukking, met open mond en met niet afgeveegde tranen op haar neus en wangen. Hij kreeg medelijden met haar.
       “Ja ik doe hun verdriet, dacht hij.  Zij hebben medelijden met mij, maar het is beter voor hen, wanneer ik sterf. Hij wilde dat zeggen, maar had er de kracht niet toe. Trouwens, waarom nog wat zeggen? Ik moet het doen”, dacht hij. Hij wees met een blik naar zijn zoon
    en zei:
     --Breng hem weg… ik heb medelijden…ook met jou…Hij wilde nog zeggen:” Vergeef ”, maar hij zeide:” Verg ”, en omdat hij niet meer in staat was het te verbeteren, maakte hij een gebaar met zijn hand, in het besef dat wie hem begrijpen moest, het wel begrijpen zou.  En plotseling werd hem, duidelijk dat al wat hem benauwd had en hem niet duidelijk was geweest, nu plotseling helder vóór hem stond, ja, van twee kanten, van tien kanten, van alle kanten. Hij had medelijden met hen, en hij moest hun geen verdriet meer doen. Hij moest hen en zichzelf van deze kwelling bevrijden.  “ Hoe goed en hoe eenvoudig”, dacht hij.” En de pijn? Vroeg hij zichzelf. Waar moet ik die laten? Ja, waar ben je, pijn?” Hij voelde eendachtig.  “ Ja, daar is zij. Nu, goed, laat het pijn doen.” “ En de dood? Waar is dood?”Hij zocht naar zijn gewone, oude doodsangst en vond hem niet: ”Waar is de dood? “ Er was geen angst meer, omdat de dood er niet meer was.   In plaats van de dood was er licht.
    -- Dat is het dus! Zei hij plotseling hardop. Hoe heerlijk!
    Voor hem gebeurde dit alles in één ogenblik en de betekenis van dat ogenblik veranderde niet meer. Voor degenen die bij hem waren, duurde de doodstrijd nog twee uur. In zijn borst kreunde nog iets en zijn uitgeputte lichaam schokte. Toen werd het kreunen en hijgen steeds minder.
    -- Het is voorbij! Zei iemand naast hem. Hij hoorde deze woorden en herhaalde ze in zijn ziel. “De dood is voorbij, zei hij tegen zichzelf. De dood is niet meer.”  Hij haalde diep adem, stokte middenin, strekte zich uit en stierf.