F.M. Dostojewski

 


  •    

     

     

     

    Aan de vooravond van de laatste dag maakte ik in de schemering
    ' voor de laatste maal ' een rondgang langs de palissadenheining.
    Hoeveel duizenden malen in al die jaren was ik langs die heining
    gelopen! Hier achter de kazernes had ik het eerste jaar van mijn
    gevangenschap eenzaam, verslagen en alleen rondgedoold . Ik herinner
    me, dat ik toen uitrekende, hoeveel duizenden dagen ik nog voor de
    boeg had. God, wat was dat lang geleden! Hier in deze hoek had
    onze adelaar gezeten; daar had ik Petrow vaak ontmoet. Hij liet
    me ook nu niet met rust. Hij kwam aanlopen en bleef, alsof hij
    mijn gedachten raadde, zwijgend naast me wandelen en het leek
    wel, alsof hij zich in stilte ergens over verwonderde. In gedachten nam
    ik afscheid van die zwartgeworden, ruwhouten wanden van onze
    kazernes. Hoe onvriendelijk waren ze me ' toen ', die eerste tijd
    voorgekomen. Dus moesten ze nu nog ouder zijn geworden, in
    vergelijking met toen; maar ik zag er niets van. En hoeveel jeugd zat er
    binnen die muren nutteloos begraven, hoeveel grote kracht ging
    hier voor niets verloren! Men kan het immers niet ontkennen: die
    mensen zijn geen doorsneemensen. Misschien vormen ze wel het
    meest begaafde, krachtigste deel van ons volk. Maar geweldige
    krachten zijn voor niets verloren gegaan, op niet-normale,
    onrechtmatige wijze onherroepelijk verloren gegaan.
    En wie is daarvoor verantwoordelijk?
    Dat is het, wie is daarvoor verantwoordelijk?
    De volgende morgen, toen het nog nauwelijks licht was, ging ik
    in alle vroegte nog voor het werk was begonnen, alle kazernes
    rond, om van iedereen afscheid te nemen. Vele eeltige, sterke
    handen werden vriendelijk naar me uitgestrekt. Sommigen drukten
    me echt kameraadschappelijk de hand, maar dat waren er niet veel.
    Er waren er ook, die heel goed begrepen, dat ik over enkele
    ogenblikken een heel ander mens zou zijn dan zij. Ze wisten, dat ik
    bekenden had in de stad, dat ik me van hier regelrecht naar de ' heren '
    zou begeven en met die heren zou verkeren als een gelijke. Ze
    begrepen dat en namen weliswaar hoffelijk, weliswaar vriendelijk
    afscheid van me, maar ze namen afscheid van een heer, niet van een
    vriend. Weer anderen wendden zich nors af en antwoorden niet
    op mijn groet. In de blik van enkelen lag zelfs iets van haat.
    De trom roffelde en iedereen behalve ik begaf zich naar het werk.
    Soesjikow was die morgen extra vroeg opgestaan en had zich
    uitgesloofd. Om voor hij weg moest, nog thee voor mij te zetten.
    Arme Soesjikow! Hij begon te huilen, toen ik hem mijn oude gevangenis-
    kleren, mijn hemden, leren voetbeschermers en wat geld gaf.
    " Daar is het me niet om te doen, nee heus niet! zei hij, terwijl hij
    zijn uiterste best deed, zijn trillende lippen in bedwang te houden:
    hoe moest ik het zonder u uithouden, Aleksandr Petrowitsj? Aan
    wie ben ik hier overgeleverd, als u er niet meer bent! ". Ook van
    Akim Akimytsj nam ik voor de laatste maal afscheid.
    -- Ook jouw tijd is gauw om! zei ik tegen hem.
    --ik moet hier nog lang blijven, nog heel lang, mompelde hij,
    terwijl hij me de hand drukte. Ik omhelsde hem en we kusten elkaar.
    Een minuut of tien nadat de gevangenen vertrokken waren,
    verlieten ook wij de gevangenis, om er nooit weer terug te keren,
    -- ik en mijn kameraad, met wie ik daar ook gekomen was.
    We moesten eerst naar de smidse, waar we van onze ketenen bevrijd
    zouden worden. Maar we werden al niet meer begeleid door een
    escortesoldaat met een geweer: we kregen een onderofficier mee.
    In de geniewerkplaats werden we door onze eigen gevangenen
    van onze ketenen verlost. Ik wachtte, terwijl ze met mijn vriend bezig
    waren; vervolgens ging ook ik naar het aanbeeld. De smeden keerden
    me met de rug naar zich toe, tilden van achteren mijn voet op,
    en legden hem op het aambeeld... Ze werkten met aandacht,
    ze wilden het zo handig, zo goed mogelijk doen.
    -- De klinknagel, de klinknagel naar boven draaien!... commandeerde
    de oudste: houd hem zo maar, zo is het goed...
    Nu een klap met de hamer er op...
    De ketenen vielen. Ik tilde ze op... Ik wilde ze beslist een ogenblik
    in de hand houden, er een laatste blik op werpen. Ik was er nu
    werkelijk verbaasd over, dat ze zoëven nog aan mijn voeten
    hadden gezeten.
    -- Nu, God zij met jullie! God zij met jullie! zeiden de gevangenen
    met hun harde, grove stemmen, die toch een tevreden klank
    leken te hebben...
    Ja met God! Vrijheid, nieuw leven, opstanding uit de doden...
    Welk een heerlijk ogenblik!

     

    Uit: Aantekeningen uit het dodenhuis (1861-1862)
    F.M. Dostojewski