Leopold Andrian

 


  •    

     

     

    De tuin van de openbaring

     

     


    In de open lucht zag hij om zich: de vlakke wei waarop de hut stond, rees in langzame golven verzadigd door de schoonheid van de lichaamlooze lijn in de toppen van de bergen over; slechts twee kleuren waren op haar, het gras dat haast geel en de boomen die haast zwart waren; maar haar teerste bekoring lag daarin, dat noch de vlakte geel noch de boomen zwart waren, doch slechts uit hun verhouding raadde men hun kleuren. De effen hemel boven haar was weelderig blauw, zijn vele sterren trilden als steenen die uit hun kassen willen breken en als een kostbaar kunstwerk, niets minder, starde tus- schen hen de maanschijf. Maar de lucht! Het was een lucht die men voelt, een lichamelijke wereld tusschen de werelden van hemel en aarde, een lucht als de gestalten van de morgendroomen, die ons niet beroeren en waardoor we nochtans zondigen.

     

     

    Uit: de tuin der openbaring van Leopold Andrian,

    vertaald door Albert Verwey en Stefan George.