•    

     

    Een Fragment uit de terugkeer van de verloren zoon een boek van André Gide. André gide is nobelprijs winaar van de literatuur in 1947 voor zijn oeuvre

     

    Het is een kamer naast die van den verloren zoon, een ruime kamer met gekalkte wanden. Met in de hand een lamp, gaat de verloren zoon naar het bed toe, waar, met het gezicht naar de muur gekeerd, zijn jongere broer rust. Hij begint zachtjes te spreken, om den jongen niet te wekken, als hij misschien reeds zou slapen

     

    ( Uit: de terugkeer van den verloren zoon André Gide.)

    Tweegesprek met den jongeren broeder.

     

    - Ik wou met je praten, broertje.

    - Wat houd je tegen? - Ik dacht dat je al sliep.

    - Je hoeft niet te slapen, om te dromen.

    - Droomde je dan? Waarover?

    - Wat kan dat jou schelen. Als ik zelf mijn dromen niet eens begrijp, zal jij ze me toch zeker niet kunnen verklaren.

    - Zijn ze dan zo duister? Als je ze mij wou vertellen, zou ik het eens kunnen proberen.

    - Je dromen kies je toch zeker niet? De mijne tenminste doen wat ze willen, en ze zijn vrijer dan ik ben....Wat kom je hier eigenlijk doen? Waarom stoor je me, als ik wil slapen?

    - Je slaapt niet, en ik wou eens als een vriend met je praten.

    -Wat heb je me te zeggen?

    - Niets, als je zo'n toon aanslaat.

    - Goeie nacht dan.

     

    De verloren zoon gaat naar de deur, maar zet de lamp op de grond, die het vertrek nu nog slechts flauw belicht, en keert dan terug, gaat op het voeteneinde van het bed zitten, en streelt lange tijd, in het donker, het afgewende voorhoofd van het kind.

     

    - Je antwoord mij veel bozer, dan ik mijn broer ooit geantwoord heb. En toch lag ik ook overhoop met hem. De koppige knaap gaat plotseling rechtop zitten in zijn bed.

    - Zeg eens: heeft onze broer je soms gezonden? - Nee jongen, hij niet, maar moeder.

    - Aha! Uit jezelf was je niet gekomen.

    - Maar toch kom ik als een vriend. Half opzittend in zijn bed kijkt het kind den verlorene strak aan.

    - Hoe zou iemand van mijn familie mijn vriend kunnen zijn?

    - Je vergist je in onze broer....

     

  • 1/5