Rümke

 


  •      

     

     

    De Stad

     

     

    Uit donkre gang van het station,

    uit dompe menschenmassa,

    kwam ik in het licht; daar sloeg de felle zon in mijn gezicht,

    ik stond er stil en knipte met de oogen... Daar was het plein,

    de breede straat met hooge gebouwen,

    daar was beweging: fel doorelkander was het woelen;

    trams en auto's in koele schuiving glijden aan tusschen de mennschen,

    die, zich reppend, gaan.

    Het was de vreugde om den sterken dag,

    die ik over de stad en de menschen zag.

    De blijdschap lag over allen: zij wisten het niet.

    De blijdschap was in mij...kend' ik het verdriet van de velen,

    die daar gingen? Zij gingen in het licht;

    ik zag hen gaan; dat was genoeg...In blijdschap bleef ik staan.

     

     

    1934

    uit ' De afgelegde weg '

    van H. Cornelius , pseudoniem van H.C. Rümke