Jellema

 


  •      
         

     

    Afscheid en aankomst

     

     

    Wie reist zoekt elke dag in het avonduur
    zijn onderkomen, voedsel en bed, en 's nachts
    vertrouwt hij zich aan dromen toe die
    beter hem kennen dan hij zich daaglijks.


    Want elders altijd, anders te zijn zoekt hij
    en schuldloos ook en niet meer gebonden aan
    geboden van het lichaam, dood is
    immers een leven en leven dood ook.

    Kent het gedicht zich schrijvende beter? Biedt,
    tot hoofdsteen hem, een slaap het waarin hij zich
    als landschap uitstrekt en bewoont? De
    ziel is in beelden, in woorden denkt men.
    Maar helder 's morgens blijkt voor wie reist vertrek
    het doel, en wegen strekken zich uit naar ginds,
    en licht is ook het afscheid dan - op
    aankomst in 't blijvende hoopt hij steeds toch,

    zijn ondanks. Zo is ook het gedicht nooit meer
    dan oponthoud, als doel een vertrekpunt - liet
    een engel niet de dromer los na-
    dat een tenzij hem vermurwde? Tot aan
    de dageraad de sterkere ging hij toen
    aan 't overmochte mank. Maar zijn huis is hier.
    Odysseus werd herkend bij thuiskomst
    door de getrouwsten, de hond, de herder,

    voor wie niet telde waar hij zich ophield sinds
    hun ogen de geliefde gestalte slechts
    als droom bezocht, een dief in 't duister.
    Helder wordt hechting wie zo'n beeld bij blijft.