•      
         

     

     

    LUISTER

     

    toen ik nog met hem 

    leefde en wij de wereld samen

    maakten, wevend en rafelend

    toen ik zijn oog bij mij had

    en zijn witte handen

    toen heb ik de sneeuw gezegend

    en in de regen gelachen.

     

    toen ik de middagen in zijn kamer

    doorbracht en in zijn lichaam

    rondliep of neerzat, een boek las

    of sliep, toen ik de weg van zijn oor 

    kende en de rivier van zijn ogen

    binnenvoer toen ik met zijn handen 

    speelde en over zijn lippen liep

    toen ben ik mijzelf vaak tegengekomen

    lachend en huilend en dingen zeggend.

                                                           maar,

    bij het komen van de herfst is hij weggegaan

    nu ben ik zelf niet meer want ik ben meegegaan

    ik heb zijn handen een hand gegeven

    ik ben in zijn ogen gevangen

    ik ben in zijn oren verward

    ik ben in zijn lichaam verdwaald

    in zijn lichaam verdronken.

     

     

    uit: 'Het innerlijk behang en andere gedichten', 1952.