P.C. Boutens


  •      
         

     

    In den schouwburg

     

     

    De zaal is vol; 't gordijn nog niet omhoog. Gedachtloos laat ik 't oog langs 't bont toneeldoek dwalen
    Met zijn rivier, zijn waterval, zijn woud, zijn dalen,
    En zijn verschiet van bergen hemelhoog.

    Soms tuurt door 't kijkgat in het doek het oog
    Eens kunstenaars naar het publiek, reeds moe van 't dralen.
    Wat 's dat? -- 't Is of er plotseling twee sterren stralen;
    Of dwars door 't doek een heldre lichtstraal vloog...
    Ik zocht vergeefs die oogen op, die straks mij boeiden
    Door enen enklen straal. Schoon aller oogen gloeiden,
    Het was toch niet die heldre, reine gloed.
    En oog was kalm -- gelijk zijn grootsche rol -- met strammen,
    Toch helren blik; dr -- schoot het plotseling vuuren vlammen:
    'k Vergeet het nooit: het drong tot in 't gemoed.


    Boutens schreef dit gedicht op 17 jarige leeftijd.
    Jeugdgedichten 1886-1888.

    P.C. Boutens (1870-1943)